“AYA‑zorg helpt om de zorgvragen gestructureerd en professioneel op te pakken.”
– Manon
Hoe zijn jullie met AYA‑zorg begonnen?
Corlien vertelt dat het idee breed gedragen werd. “We hebben AYA‑zorg eerst ingebracht in de oncologiecommissie. Iedereen was direct enthousiast. Daarna zijn we met het AYA Zorgnetwerk in gesprek gegaan over de uitvoering. Zij hebben ons vanaf het begin goed begeleid en we hebben stap voor stap hun implementatieplan gevolgd.”
Een pitch aan de raad van bestuur volgde — een belangrijke stap in het proces.
Manon: “Het helpt enorm dat de raad van bestuur er volledig achter staat. Voor ons was duidelijk dat het tijd was om ook AYA-zorg structureel te verankeren in onze organisatie.”
Per tumorspecialisme werd één aandachtsvelder AYA‑zorg aangewezen. “We hebben hen allemaal bij elkaar gebracht,” zegt Corlien. “Er was uitleg over scholing, over wat AYA‑zorg inhoudt en hoe zij hun teams konden meenemen: van verpleegkundigen tot medisch specialisten.”
Ook werd AYA‑zorg opgenomen in de bestaande zorgpaden.
Waarom wilden jullie hiermee aan de slag?
“Je ziet steeds meer jonge mensen met borstkanker,” vertelt Manon. “Vroeger gingen jonge patiënten sneller naar een academisch ziekenhuis, maar nu behandelen we hen vaker zelf. We merkten dat hun zorgvragen echt anders zijn dan die van oudere patiënten. AYA‑zorg helpt om die vragen gestructureerd en professioneel op te pakken.”
Manon vult aan: “Dat is ook waarom wij de kartrekkers zijn geworden. We zien veel AYA’s in de mamma‑zorg. Omdat ons ziekenhuis relatief klein is, kennen we patiënten en hun gezinnen vaak jarenlang. Dat maakt het persoonlijker — maar dan wil je die leeftijdsspecifieke zorg ook goed organiseren.”
De AYA‑anamnese: ruimte voor het echte verhaal
Het team heeft zo’n twintig collega’s geschoold in AYA‑zorg. “We vonden dat iedereen die direct betrokken is bij oncologische zorg de e‑module AYA Basiszorg afgerond moest hebben vóór de officiële start,” zegt Manon.
De AYA‑anamnese voeren ze buiten het reguliere spreekuur. “We hebben daar bijna een uur voor nodig,” legt Manon uit. “Dat past niet in de 20 minuten die wij normaal voor een afspraak hebben. Maar het levert zoveel op.”
Corlien: “We zetten de vragenlijst nog niet vooraf uit naar patiënten. We bespreken alle onderwerpen persoonlijk. Jongvolwassenen slaan anders makkelijk dingen over — zeker de lastigere thema’s. In dat gesprek hoor je wat er écht speelt.”
Soms combineren ze het gesprek met een controleafspraak. “We willen de belasting voor AYA’s zo laag mogelijk houden,” zegt Manon. “In een klein ziekenhuis kun je dat gelukkig flexibel regelen.”
AYA‑zorg is teamwork
In het IJsselland is er maandelijks een ‘lastmeter‑MDO’ waarin psychosociale onderwerpen worden besproken. “Daar sluiten alle AYA‑aandachtsvelders bij aan,” vertelt Manon. “En als we er zelf niet uitkomen, kunnen we terecht bij het regionaal AYA‑MDO van het Erasmus MC.”
Het AYA‑team bestaat inmiddels uit ongeveer twintig professionals, inclusief psychosociale zorgverleners.
Hoe borgen jullie de kwaliteit van AYA‑zorg?
“We hebben dit pas nog besproken met onze regiocoördinator van het AYA Zorgnetwerk,” zegt Manon. “In het tweede kwartaal van 2026 gaan we een evaluatie aan de oncologiecommissiepresenteren. Daarin nemen we knelpunten, successen en ervaringen mee. Ook willen we een bijeenkomst organiseren met alle aandachtsvelders.”
De lijnen in onze organisatie zijn kort. “De gynaecoloog uit de oncologiecommissie kijkt met ons mee. Als er iets is, hebben we snel overleg.”
Hoe hebben jullie gecommuniceerd, intern én naar AYA’s toe?
“We hebben veel gedaan om het onderwerp te laten leven,” vertelt Corlien. “Presentaties voor de dagbehandeling met ook een AYA erbij om haar perspectief te delen, en een presentatie voor de verschillende vakgroepen en voor de raad van bestuur.”
Inmiddels staat AYA‑zorg ook op de website en het intranet. Daarnaast worden de AYA‑folders die via het AYA Zorgnetwerk zijn geleverd actief uitgedeeld.
“We zien dat veel jonge patiënten zelf al veel informatie opzoeken,” merkt Manon op. “Maar we kijken uit naar het nieuwe informatiepakket van het AYA Zorgnetwerk dat dit jaar beschikbaar komt.”
Zelf gaan Manon en Corlien natuurlijk ook naar het jaarlijkse SPACE4AYA congres op 13 mei in ‘s Hertogenbosch en naar de regionale bijeenkomsten. “Alles wat we daar ophalen, delen we met ons team.”
Wat merken jullie in korte tijd al van de AYA‑anamnese in de praktijk?
“Het geeft echt verdieping aan je werk,” zegt Manon. “Je kent iemand soms vijf tot tien jaar. Door de AYA‑anamnese leer je wat er achter het medische verhaal zit. De drempel om onderwerpen als seksualiteit of verlies van werk te bespreken wordt lager. Iedereen heeft een uniek verhaal — en dat komt nu beter naar boven.”
Corlien deelt een ervaring: “Een patiënt die al langere tijd bij ons is, kreeg in het begin nog geen AYA‑zorg. Nu wel. Ze zegt dat ze dat toen heel waardevol had gevonden. Het mooie is dat we nu vanaf het begin kunnen zeggen: dit mag er zijn. De rouw, de angst, de zorgen over werk of gezin. We hoeven het niet weg te poetsen.”
Wat helpt andere ziekenhuizen om te starten met AYA‑zorg?
Manon is duidelijk: “Zorg dat de raad van bestuur achter je staat. Je hebt de steun van directie én medisch specialisten echt nodig. Implementatie in het EPD (Elektronisch Patiënten Dossier) kost tijd, net als het informeren van alle disciplines. Een IT‑specialist met oncologische kennis was voor ons goud waard.”
Corlien voegt toe: “Zorg voor vaste aanspreekpunten. AYA’s geven aan dat ze dat enorm waarderen. Een vertrouwd gezicht maakt een groot verschil.”
Tot slot
AYA‑zorg is voor het IJsselland Ziekenhuis een wezenlijk onderdeel van goede oncologische zorg.
Corlien: “Het geeft ons de mogelijkheid om echt te horen wie iemand is — niet alleen welke behandeling iemand krijgt.”
Manon: “En uiteindelijk helpt het jongvolwassenen om hun leven na kanker weer vorm te geven. Niet het oude leven terug, maar een nieuwe versie die past bij wie ze nu zijn.”
“Door de AYA‑anamnese wordt de drempel om onderwerpen als seksualiteit of verlies van werk te bespreken lager.”
– Manon
Verpleegkundig specialisten Corlien Slingerland (r) en Manon Kop (l)